Lee Friedlander

Lee Friedlander (1934 Washington) zag het buitengewone in het alledaagse. Hij had een scherpe, soms ironische kijk op de wereld waarin mensen, objecten en stedelijke structuren moeiteloos samensmelten. Zijn zwart-witfoto’s, vol asymmetrie en speelse reflecties, zijn een visueel spel waarin realiteit en illusie elkaar uitdagen.

Jazz- en blues musici

Zijn liefde voor fotografie kwam al op veertienjarige leeftijd, waarna hij kort studeerde aan de Art Center School in Los Angeles. Maar het was New York waar Friedlander zich werkelijk ontpopte als beeldmaker. In de jaren vijftig begon hij zijn carrière met portretten van legendarische jazz- en blues musici voor Atlantic Records zoals Duke Ellington en John Coltrane.

In de jaren ’50 en ’60 fotografeerde hij de grote jazz namen voor Atlantic Records. Zijn foto’s tonen niet alleen de artiesten, maar ook de sfeer en energie van hun muziek. Door gebruik te maken van dramatische belichting, schaduwen en dynamische composities, voelen zijn foto’s intiem en tijdloos.

Snapshot-esthetiek

De jaren zestig brachten een golf van verandering in de fotografie, en Friedlander stond samen met Garry Winogrand en Diane Arbus aan het front van deze revolutie. De ‘snapshot-esthetiek’, een ogenschijnlijk terloopse manier van fotograferen die het leven ongefilterd vastlegt, werd hun handelsmerk. Met zijn Leica  verwerkte Friedlander winkelruiten, zijspiegels en etalages als complexe lagen in zijn composities. 


Eugène Atget was een belangrijke inspiratiebron voor Lee Friedlander. Beide fotografen deelden een fascinatie voor de stedelijke omgeving en gebruikten hun camera om het alledaagse op een unieke manier vast te leggen. Atget documenteerde het oude Parijs aan het begin van de 20e eeuw, terwijl Friedlander een soortgelijke benadering hanteerde voor het moderne Amerika. Atget’s invloed is vooral zichtbaar in Friedlanders gebruik van reflecties, raamkaders en gelaagde composities. Een voorbeeld hiervan is "New York City" (1963), ook bekend als Revolving Door, en laat perfect zien wat zijn stijl zo bijzonder maakt. Hij speelt met reflecties, kaders en lagen, waardoor een spannend beeld ontstaat. Een man en een vrouw lopen naar elkaar toe door draaideuren, terwijl hun beelden samenvloeien met spiegelingen en de omgeving. De foto voelt dynamisch en een beetje raadselachtig, waardoor je als kijker goed moet kijken om alles te begrijpen. Dit maakt New York City een indrukwekkend voorbeeld van moderne straatfotografie.

In navolging van Robert Frank en Walker Evans trok Friedlander erop uit, op zoek naar het ritme van het land. Zijn serie The Little Screens (1962-63) toont gloednieuwe televisies in anonieme motel kamers. Glanzende vensters naar een andere werkelijkheid, een stil commentaar op de veranderende Amerikaanse cultuur. Het werk werd geprezen door Walker Evans en tentoongesteld in Harper’s Bazaar, een erkenning van zijn scherpe observaties.

"The Little Screens" (1962-63) van Lee Friedlander is een tijdloos en intrigerend fotografisch project dat de opkomst van massamedia op een subtiele, bijna spookachtige manier vastlegt. De serie toont kleine televisies in lege kamers en hun flikkerende beelden werpen een etherisch licht over verlaten interieurs. Dit contrast en de framing tussen de intieme huiselijke ruimte en de afstandelijke aanwezigheid van het scherm creëert een vervreemdend effect, alsof de tv’s de enige bewoners zijn. Friedlanders composities, gelaagd, speels met reflecties en kadrering, maken het beeld complex en intrigerend. Hij onderzoekt hoe televisie binnendringt in het dagelijks leven en hoe de kijkervaring ons beïnvloedt. Gepubliceerd met een essay van Walker Evans, werd de serie een vroege erkenning van Friedlanders unieke stijl en visie. The Little Screens blijft relevant, omdat het op subtiele wijze onze steeds innigere relatie met schermen en media weerspiegelt. Een thema dat vandaag de dag nog urgenter voelt dan ooit.

Museum of Modern Art in New York

De doorbraak kwam in 1967 met New Documents, een tentoonstelling in het Museum of Modern Art in New York. Curator John Szarkowski plaatste Friedlander naast Arbus en Winogrand als vernieuwers van de documentaire fotografie. In Friedlanders beelden vond men een nieuwe visie op de stedelijke chaos, een netwerk van verschillende invalshoeken van lijnen, mensen, objecten en schaduwen, waarin zelfs de fotograaf zichzelf als onderwerp toeliet.

De tentoonstelling New Documents (1967) in het MoMA was een keerpunt in de fotografie geschiedenis en betekende de doorbraak van Lee Friedlander, samen met Diane Arbus en Garry Winogrand. Onder curatorschap van John Szarkowski presenteerde de expositie een nieuwe benadering van documentaire (straat)fotografie: geen traditionele verslaglegging, maar een subjectieve, persoonlijke blik op het alledaagse leven. Friedlanders werk viel op door zijn speelse en complexe composities, waarin hij reflecties, schaduwen en stedelijke fragmenten gebruikte om de kijkervaring te verrijken. Zijn foto’s leken snapshots, maar waren zorgvuldig opgebouwd, met een scherp oog voor ritme en gelaagdheid. Wat New Documents zo bijzonder maakte, was de erkenning van fotografie als een kunstvorm die niet alleen registreert, maar interpreteert. Friedlander liet zien dat het straatbeeld niet alleen een onderwerp was, maar ook een visueel spel vol nuances en betekenissen, een stijl die blijvende invloed zou hebben op de fotografie.

Zelfportretten

Zelfportretten speelden een sleutelrol in zijn oeuvre. Zijn eerste boek, Self-Portrait (1970), presenteerde hem als een schaduw, een spiegelbeeld, een vluchtige aanwezigheid in zijn eigen visuele labyrint. Hij balanceerde op de randen van de norm, waarin de maker doorgaans onzichtbaar blijft. Zijn reflecties waren niet alleen fysiek, maar ook filosofisch: wat betekent het om een waarnemer te zijn in een wereld vol oppervlakken?

Lee Friedlanders fotoboek Self-Portrait (1970) is een revolutionair werk dat de traditionele zelfportret fotografie op zijn kop zet. In plaats van klassieke, geposeerde portretten, experimenteert Friedlander met reflecties, schaduwen en onverwachte composities. Hij plaatst zichzelf op indirecte en vaak speelse manieren in zijn foto’s, verscholen in etalageruiten, weerspiegeld in autospiegels of als een silhouet op de grond. Deze benadering tart de conventionele regels van fotografie, waarin de fotograaf doorgaans onzichtbaar blijft. Friedlander benadrukt juist zijn aanwezigheid en onderzoekt hoe identiteit kan worden vastgelegd op een fragmentarische, ongrijpbare manier. Het boek werd uitgegeven door zijn eigen Haywire Press en vestigde zijn reputatie als een vernieuwende fotograaf. Self-Portrait is bijzonder omdat het niet alleen over Friedlander zelf gaat, maar ook over de relatie tussen fotograaf, camera en omgeving, een concept dat sindsdien talloze fotografen heeft beïnvloed. 


In The American Monument (1976) daagt Friedlander de traditionele benadering van monumentale fotografie uit. In plaats van heroïsche en geïsoleerde beelden van standbeelden en gedenktekens, plaatst Friedlander deze structuren in hun alledaagse omgeving, vaak omringd door verkeersborden, schaduwen, reflecties en stedelijke drukte. Zijn composities maken de monumenten minder verheven en tonen ze als onderdeel van het dagelijkse straatbeeld. Dit creëert een subtiele spanning: waar monumenten bedoeld zijn om herinneringen levend te houden, lijken ze in Friedlanders beelden bijna onopgemerkt of verloren in de moderniteit. Het boek, met ongeveer 100 foto’s, werd in een luxe, grootschalige editie uitgegeven en is nu een zeldzaam verzamelobject. The American Monument is bijzonder omdat het niet alleen een documentatie van nationale iconografie is, maar ook een filosofische reflectie op de veranderende betekenis van geschiedenis, geheugen en de publieke ruimte in Amerika.

Landschappen

Gedurende zijn carrière bleef Friedlander experimenteren. In de jaren negentig stapte hij over op een Hasselblad Superwide-camera, waarmee hij de weidse Amerikaanse landschappen vastlegde. Zijn oeuvre, variërend van portretten tot industriële scènes, van stedelijke fragmenten tot uitgestrekte woestijnen, is een ode aan de complexiteit van het alledaagse. Zijn werk laat ons kijken met verwondering, met speelsheid, met een vleugje melancholie. Een fotograaf die de werkelijkheid niet registreerde, maar opnieuw uitvond.


Landschapsfotografie heeft een lange geschiedenis en is sterk verbonden met schilderkunst. Vaak draait het om het vastleggen van natuur met uiterste precisie, zodat de kijker de schoonheid en harmonie van de wereld beter ervaart. Lee Friedlander had echter weinig interesse in klassieke landschappen, hij vond ze vaak "te perfect" om te fotograferen. Toch raakte hij geïnspireerd door een opdracht om parken en openbare plekken vast te leggen die ontworpen waren door de beroemde 19e-eeuwse landschapsarchitect Frederick Law Olmsted. Met zijn Hasselblad-camera fotografeerde Friedlander onder andere Central Park, Prospect Park en Niagara Falls State Park. In plaats van idyllische vergezichten koos hij voor een andere benadering. Friedlander zag de natuur als 'levende kunstwerken' die niet geromantiseerd hoefden te worden, maar op hun eigen kracht moesten bestaan.

Wil je meer weten over inhoudelijke fotografie? Lees onze blogs, download ons E-book of schrijf je in bij ons BEELDlab. Ben je klaar voor de echte cursus? In september starten we weer op.