William Eggleston
Sinds het begin van de jaren zestig gebruikte William Eggleston (1939) kleur om het leven in Tennessee en het landelijke Zuiden vast te leggen.
Waar fotografen als Henri Cartier-Bresson, Robert Frank, Garry Winogrand en Diane Arbus nog vooral vertrouwden op de expressieve kracht van zwart-wit, herkende Eggleston dat kleur mogelijkheden bood die op dat moment nauwelijks werden benut binnen de kunstfotografie. De naoorlogse consumptiemaatschappij bracht een wereld van reclameborden, felle winkelverlichting en glanzende auto’s. Eggleston zag dat kleur deze nieuwe werkelijkheid niet alleen weergaf, maar ook hielp te begrijpen. Zijn onderwerpen zoals familieleden, vrienden, benzinestations, auto’s, winkelinterieurs, vormden herkenbare taferelen waarin subtiele veranderingen voelbaar werden.
Eggleston begon zijn carrière met zwart-witfotografie, in een tijd dat dit dankzij fotografen als bovengenoemd steeds meer werd erkend als kunstvorm. In een vroeg werk fotografeert hij een bijna lege supermarkt waar een jongen verveeld leunt tegen de schappen en naar buiten kijkt, totaal onbewust van de camera. Links in beeld kijkt een medewerkster achter een toonbank met donuts wél naar de fotograaf, waardoor zijn aanwezigheid subtiel voelbaar wordt. Eggleston richt zich op gewone plekken en alledaagse voorwerpen. Hoewel zijn foto’s vaak spontane momentopnames lijken, zijn ze juist zorgvuldig opgebouwd. Hij geloofde dat “elk klein dingetje samenwerkt met elk ander dingetje”. Simpele momenten die tegelijk gewoon én veelzeggend zijn.
Kleur
Voor Eggleston was kleur geen versiering maar een essentieel onderdeel van het beeld. Door consequent in kleur te werken, maakte hij zichtbaar hoe het dagelijkse leven veranderde onder invloed van consumptiedrang, mobiliteit en nieuwe technologieën. Zijn foto’s lijken soms vluchtig, maar tonen stille observaties van hoe mensen zich bewegen door ruimtes die even alledaags als betekenisvol zijn. Kleur fungeert daarin als een soort meetinstrument om kleine verschuivingen in sfeer, tijd en aandacht te markeren.
Snapshot aesthetic
Eggleston liet zich inspireren door de directe uitstraling van Polaroids en amateur kiekjes, foto’s die aanvoelen als spontane vondsten. Deze zogenaamde ‘snapshot aesthetic’ bood een vorm die aansloot bij het alledaagse dat hij wilde vastleggen. Zijn composities waren zorgvuldig opgebouwd maar droegen een informele kwaliteit die herinnerde aan familiefoto’s die gemaakt zijn met een Kodak Brownie-camera. Die combinatie van controle en tegelijkertijd een nonchalance gaf zijn werk een persoonlijke en toegankelijke uitstraling, en inspireerde toekomstige generaties hedendaagse fotografen zoals Stephen Shore, Jeff Wall en Gregory Crewdson, en filmregisseurs, zoals David Lynch.
‘Los Alamos’ (1966–1974) is ontstaan tijdens meerdere roadtrips door de zuidelijke staten van de VS, met name Tennessee, Arkansas, Mississippi en New Mexico. Het project toont een Amerika in overgang zoals motels, etalages, benzinestations, diners, stoplichten, speelgoed, achtertuinen en toevallige ontmoetingen. Eggleston fotografeerde deze alledaagse momenten met zijn kenmerkende snapshot aesthetic, waarbij hij spontaan lijkende scènes vastlegde in doordachte composities. Egglestons gebruik van kleur veranderde blijvend hoe fotografen het alledaagse benaderen. De volledige serie werd pas in 2003 gepubliceerd, waarna het project werd erkend als een van de fundamenten van de moderne kleurenfotografie.
Dye-transfer proces
In de jaren zeventig begon Eggleston intensief te experimenteren met het dye-transfer proces, een druktechniek die tot dan toe vooral in de reclame-industrie werd gebruikt vanwege de rijke, nauwkeurig stuurbare kleuren. Voor Eggleston was kleur een belangrijke drager van betekenis en het proces maakte vooral de kleur rood dieper en rijker, bood uiterst precieze kleurcontrole, verhoogde de kleurdichtheid en leverde een zuivere, stabiele kleurweergave.
Andy Warhol
Zijn korte ontmoeting met Andy Warhol maakte hem bovendien ontvankelijker voor de manieren waarop commerciële beeldcultuur kleur gebruikte. Het dye-transfer proces bood een technische en esthetische vrijheid die zijn werk een nieuw niveau gaf. Een bekend voorbeeld is het beeld van een kale gloeilamp tegen een bloedrood plafond (1973), waarin de kleur een bijna fysiek effect krijgt. Ook zijn portfolio 14 Pictures (1974), zijn eerste gepubliceerde reeks, maakt gebruik van deze methode.
Red Ceiling (1973) is één van Egglestons meest iconische foto’s. De afbeelding toont het plafond van een kamer in fel, bijna agressief rood, met in het midden een kale gloeilamp en rondom zichtbare kabels en schakelaars. Hoewel het onderwerp simpel lijkt, creëert de intense kleur een bijna claustrofobische sfeer. Eggleston maakte de foto in het huis van een vriend, in een kamer die door de bewoners zelf felrood was geverfd. Voor hem was het een kans om te laten zien hoe kleur een emotionele en fysieke ervaring kan worden. De foto is vooral bekend omdat het een vroeg voorbeeld is van Egglestons gebruik van het dye-transfer proces. Red Ceiling werd een keerpunt want het bewees dat kleur niet alleen decoratief kon zijn, maar een krachtig artistiek element. Eggleston zelf noemde het “de meest perfect gekleurde foto die ik ooit heb gemaakt.”
Egglestons eerste gepubliceerde portfolio ’14 Pictures’ (1974) markeert een belangrijk omslagpunt in zijn carrière én in de geschiedenis van kleurenfotografie. De reeks bestaat uit veertien zorgvuldig geselecteerde dye-transfer prints. Eggleston was een van de eersten die deze techniek inzette voor kunstfotografie, waardoor 14 Pictures een demonstratie werd van de artistieke mogelijkheden van kleur. De foto’s tonen alledaagse scènes in een intensiteit die voorheen ongezien was. Het portfolio vormt een vroeg bewijs van Egglestons herkenbare stijl: neutraal, observerend, zonder drama, maar geladen door kleur en compositie. Het effende de weg voor zijn doorbraak een jaar later én de legitimatie van kleur in de kunstfotografie.
Doorbraak en erkenning
Eggleston bouwde zijn oeuvre geduldig op. In 1974 ontving hij een Guggenheim-beurs en in 1976 volgde zijn solotentoonstelling in het Museum of Modern Art in New York, samengesteld door John Szarkowski. Hoewel critici zijn werk aanvankelijk te simpel vonden, zagen anderen juist de kracht van zijn verzadigde kleuren en strakke, observerende blik.
Dit is een hernieuwde uitgave van de tentoonstellingscatalogus ‘Guide’ (1976), van Eggleston's expositie in het MoMA in New York, in 1976.
Guide; "The most hated show of the year!" aldus een kunstcriticus. "Guide to what?"
De foto op de cover van de catalogus vertaalde waar de 'nieuwe fotografie' destijds voor stond;: een ongekende perceptie. De foto ‘Tricycle’ (1970) typeert Eggleston's blik op de wereld en de beweging die destijds op gang kwam, volledig. De foto illustreert de schoonheid van het gewone en maakt van het alledaags object iets iconisch. Het onthult een gevoel van desolatie die broeit achter de facade van de buitenwijk waar hij is genomen. Een handige manier om Eggleston's werk beter te begrijpen is te relativeren. Beschouw hem als een buitenaards wezen dat ons op aarde komt fotograferen. En wat zal die een lol om ons hebben als hij zijn beelden laat zien bij zijn thuiskomst op z'n eigen planeet...
Retrospectief
Aan het begin van de 21e eeuw was de scepsis verdwenen. De retrospectieve William Eggleston: Democratic Camera (2008) bevestigde zijn invloedrijke rol binnen de moderne fotografie. Voor zijn werk ontving hij onder meer de Hasselblad Award (1998) en een Sony World Photography Award (2013). Eggleston toont hoe het alledaagse, wanneer het aandachtig wordt bekeken, altijd meer bevat dan het op het eerste gezicht lijkt.
Wil je meer weten over inhoudelijke fotografie? Lees onze blogs, download ons E-book of schrijf je in bij ons BEELDlab. Ben je klaar voor de echte cursus? In september starten we weer op.